|

De
republiek der Nederlanden besloot in 1642 om de eilanden
Aruba, Bonaire en CuraÇao officieel te claimen.
In 1634 hadden de Nederlanders CuraÇao veroverd
van de Spanjaarden en in 1636 volgde de bezetting van
Bonaire en Aruba. Toch duurde het tot 1642 voordat de
republiek de eilanden officieel claimde.
Kort na de claim probeerde
Spanje om de eilanden terug te winnen. De nieuw aangestelde
gouverneur van de Spaanse provincie Venezuela, Ruy Fernandez
Fuenmayor, kreeg de leiding. Zijn strategie was om via
Bonaire, CuraÇao te overmeesteren. CuraÇao
was het eigenlijke doel van de gouverneur. In oktober
1642 vertrok hij met een leger van ongeveer 300 man.
De bedoeling was om ‘s nachts via het zuiden van
Bonaire het Fort Oranje, de haven en de kampementen
bij de pekelmeren aan te vallen.
Door het slechte weer
en een ruige zee, lande de troepen echter op de dag
en meer naar het oosten dan gepland. Daarbij verloren
zij natuurlijk het element van verassing. De locale
bevolking van Bonaire zag de troepen aankomen en waarschuwde
het Nederlandse Legioen. De Nederlanders zette vervolgens
het fort in vlam een vuur en vluchtte naar CuraÇao.
Daar rapporteerde ze aan de directeur van de kolonie,
Pieter Stuyvesant, dat er een leger van 1000 man aan
wal was gekomen en dat ze met z’n veertigen niet
dachten dat ze konden winnen.
Tijdens hun verblijf
staken de Spanjaarden vele huizen in brand en slachten
ze vele dieren, waaronder 70 paarden. In deze tijd was
CuraÇao afhankelijk van de opbrengsten van de
koeien en geiten op Bonaire. De Spanjaarden werden echter
ziek en hun moraal werd snel erg laag. De gouverneur
besloot daarom om al na een week weer terug te reizen
naar Venezuela.
Pieter Stuyvesant zond
de gouverneur van Bonaire, Jacob Polak, terug met 9
soldaten. Aangekomen op Bonaire bleken de Spanjaarden
alweer vertrokken. De schade die de Spanjaarden hadden
aangericht trok hij zich persoonlijk aan, daarom zeilde
hij naar Puerto Cabello waar hij vier Spaanse fregatten
in brand stak. Tevens stuurde hij een brief naar de
Venezolaanse gouverneur waarin hij vertelde dat hij
de schepen had aangestoken als wraak voor de vernielingen
op Bonaire. De brief is bewaard gebleven en word bewaard
in een archief. Als laatste regel schreef Polak: Bij
deze blijf ik uw hoogachtende vijand tot mijn dood,
Jacob Polak.
Pieter Stuyvesant was
echter nog niet tevreden en ging zelf naar Venezuela.
Daar heeft hij voor een periode van twee weken het land
geplunderd. De buit, enkele boten vol paarden en geiten,
ging rechtstreeks naar Bonaire. Daar leven heden ten
daage nog de nakomelingen van deze dieren.
|